ik ben een meeuw

Een stukje verhaal

Elke ochtend als ik wakker werd in je heerlijke zachte tweepersoons bed, hoorde ik dat je al muziek had opgezet en bezig was het ontbijt op tafel te zetten. ‘s Nachts kroop ik als een egeltje zonder stekels tegen je aan en werd wakker gehouden door de knipperende lantaarnpaal tegenover het slaapkamerraam en jouw diepe ademhaling (waar ik me destijds wel aan begon te ergeren, maar ik was maar zelden bij je, dus klagen kon ik toen nog niet). 

En ik weet nog, oh, ik weet nog dat ik heel vaak deed alsof ik nog sliep als jij een kijkje kwam nemen in de slaapkamer. Ik houd van kijken met mijn ogen dicht, dan is de ochtend op zijn mooist. Ik moest me verzetten tegen een brede glimlach maar dat terzijde, ik ben altijd al een lange slaper geweest en je wou me nooit wakker maken. Ik zag hoe je naar mijn slaperige gezicht keek en het moment dat ik nog bij je was koesterde. Ik was altijd zo snel weer weg. Zoals die wind komt er gaat, besteedde ik soms een dagje bij je. 

Ik schoof heel stil de stoel aan en zag dat je nieuwe rozen op tafel gezet had. Mooi, mooi waren ze. Je hoefde me niet te horen. Ook ik koesterde dit moment zonder woorden. Als je me na enkele minuten toch zag zitten pakte je mijn beide handen en danste even door de kamer, je liet me pirouettjes draaien en soms tilde je me op. Je glimlachte verradelijk en ik zag mijn kindertijd weerspiegeld in je bruine ogen. Die ogen, verdomme, zij waren mijn levenslied.

Ik gaf een kus op je zachte moederwangen en zag je naar mijn blote benen kijken (ik sliep altijd in een veel te groot overhemd, dat zit zo lekker en slaapt zo fijn), je wou me erop duiden dat dat verreweg te koud was en ik wat aan moest doen als ik niet ziek wilde worden, maar je hield je in, je wist dat ik me ergerde aan je constante bezorgtheid en hield je in, voor deze keer. Ik wil dat je weet dat ik hier graag mijn tenen in je hoogpolige tapijt begroef, ook al dacht je dat ik met tegenzin bij je aanbelde. De avond ervoor had ik gehuild uit machteloosheid, heel even, ik probeerde mijn gezicht nog de andere kant op draaien maar je zag mijn lichaam lichtelijk schokken en wist meteen waar ik aan dacht. Ik wou niet naar huis. Mama, waarom mag ik nooit bij jou blijven, ik wil zo graag, het is hier fijn.

Ik bleef deze ochtend, ik bleef niet vaak, maar die dag bleef ik en dronk mijn thee op, dit moment eeuwig koesterend. Zullen we zonder woorden leven, mama?